|
Programma H. Mis 2 mei 2004 |
||
| Plaats: H. Landricuskerk Echt | ||
| Aanvang: 11:00 |
![]() St. Landricus kerk Echt |
|
| Voor de mis | Monnikenkoor Chor der Priester Wied es de wind |
|
| Introïtus | Steal away | |
| Kyrie | Koor zingt geen kyrie gebed | |
| Gloria | Izje Cheruvimi | |
| Graduale | Ave Maria | |
| Offertorium | Ave Verum | |
| Sanctus | Koor zingt geen Sanctus | |
| Onze vader | Pater Noster | |
| Communie | Lascia chio Pianga Calm is the sea |
|
| Slotlied | Tollite hostias | |
Ons koor is weliswaar een profaan (wereldlijk) koor, maar uiteraard ontkom je er in Neerlands grootste katholieke kerkprovincie niet aan om regelmatig een mis te zingen. Sinds jaar en dag wordt er rond Koninginnedag ergens in de voormalige gemeente Echt een eucharistieviering opgeluisterd. Onderstaand artikel, dat ik van het internet heb geplukt geeft wat achtergrond info over de eucharistieviering
De opdracht luidde: Beschrijf de misviering in een laatmiddeleeuwse kathedraal. Geef een schets van ontstaan en ontwikkeling van de mis en besteed daarbij aandacht aan de vraag waar die plaatsvond en voor wie die was bestemd. Bij het navolgen van de opdracht ga ik als volgt te werk: Eerst beschrijf ik de mis en haar verschillende onderdelen (1); als duidelijk geworden is waaruit de mis bestaat, ga ik in op de geschiedenis ervan (2); dan beschrijf ik de viering van de mis in de late middeleeuwen (3) om af te sluiten met de consequenties die de misviering voor de ruimte had (4).
In de katholieke kerk wordt de bijeenkomst van gelovigen waarin de gemeenschap van de gelovigen onderling en hun gemeenschap met Christus centraal staat “mis” genoemd. Christus is in brood en wijn werkelijk in vlees en bloed aanwezig en staat centraal. De mis is qua vorm vanaf de middeleeuwen grotendeels gelijk gebleven. Daarom geef ik een beschrijving van de mis zoals die in 1975 officieel voor de Nederlanden werd vastgesteld. Deze tekst in oudere versies wordt in het historische gedeelte aan de orde gesteld. De verschillen zijn beter te plaatsen met een complete misvolgorde voor ogen, dan wanneer ze op zichzelf staand naar voren worden gebracht.
Alle onderdelen hebben hun eigen inhoud en hun eigen aanduiding. Die aanduiding is ontleend aan de teksten die er op dat moment in de dienst gesproken werden (en soms nog worden) of een aanduiding van de voltrokken handeling, van oudsher in het Latijn. Daar waar mij geen Latijnse naam bekend is, geef ik een aanduiding in het Nederlands. Daarna duid ik kort de inhoud van het gedeelte aan.
Voorbereiding op de dienst van het Woord
Introïtus: Intrede, Gezang wanneer priester binnenkomt, afwisselend tussen koor en volk.
Groet van altaar en volk: priester en assistenten groeten het altaar, kussen en bewieroken het.
In nomine: priester en gelovigen slaan een kruisje, “in naam van de Vader, de Zoon en Heilige Geest.” (in naam van= in nomine).
Schuldbelijdenis+ kyrie: gelovigen belijden schuld en vragen om vergeving.
Gloria: gelovigen eren God.
Openingsgebed+ acclamatie: het openingsgebed wordt met “amen” beantwoord.
Dienst van het woord
Lezing: uit het Oude Testament
Graduale: Psalm als antwoord op de lezing
Evangelielezing: De woorden van Jezus worden gelezen met de intentie dat Hij zelf spreekt
Alleluia: Gelovigen brengen lof aan God als antwoord op de lezingen
Homilie: In een preek wordt op de teksten ingegaan
Geloofsbelijdenis: De gelovigen beantwoorden de preek en de lezingen en onderstrepen hun geloof door uit te spreken wat ze geloven
Voorbeden: Priester bidt voor de kerk en het welzijn van de wereld.
Eucharistie
Bereiding der gaven met Offertorium (gezang dat de bereiding en inzameling van gaven –collecte- begeleidt) en evt. Bewieroking (van de offergaven).
Handenwassing: de priester reinigt zich (ritueel)
Gebed over de gaven: Gebed over de op het altaar geplaatste offergaven: de pateen (schaal) met daarop de Hostie (speciaal gefabriceerd rondje brood).
Eucharistisch gebed
-Prefatie: priester dankt en verheerlijkt God namens het volk.
-Acclamatie: “Sanctus” wordt gezongen om God te prijzen.
-Epiklese: Heilige Geest wordt aangeroepen over de gaven om ze te heiligen.
-Instellingsverhaal en consecratie: De woorden van Christus worden nagesproken, zijn handelingen herhaald, en zo wordt het offer voltrokken.
-Anamnese: (kerk viert gedachtenis van Christus, zijn lijden, opstanding, Hemelvaart).
-Aanbieding van de gaven (in gebed) aan God.
-Voorbede: priester bidt voor de Kerk en haar overledenen.
-Slotdoxologie+acclamatie: God wordt verheerlijkt en de kerk stemt ermee in.
Communieritus
Onze vader+ embolisme: allen bidden het Onze Vader, de priester voegt aan het eind daarvan nog een uitbreiding in, het volk antwoordt met een lofprijzing, doxologie.
Vrederitus: als teken van gemeenschap wensen gelovigen elkaar en de wereld de vrede.
Breking van het brood.
Vermenging (tijdens breken klinkt het gezongen “Lam Gods”): Priester laat stukje van Hostie in de kelk vallen.
Priester bereidt zich voor op zijn communie (stilte).
Priester toont brood en nodigt uit.
Priester nuttigt brood en wijn.
Communie: gelovigen nuttigen brood en wijn, onder gezang.
Gebed: om de vrucht van de communie.
Slotritus:
Gebed en zegen
Wegzending met de zegen van God
Het eucharistisch gebed staat centraal in de mis. Tijdens dat gebed gebeurt datgene waar de mis om draait: de woorden van Jezus worden herinnerd, zoals hij die ooit gesproken zou hebben en zijn handelingen worden herhaald, omdat hij hiertoe zelf de opdracht gaf:
“…De Here Jezus in de nacht, waarin hij werd overgeleverd, een brood nam, de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. Zo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en hij zei: deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis…”.
Alle elementen komen terug in de mis: brood in de vorm van de hostie, beker met wijn in de vorm van de miskelk, dankzegging in de vorm van de epiklese. Waar Jezus zei dat het brood zijn lichaam, de kelk met wijn zijn bloed was, gelooft de katholieke kerk dat in de eucharistie brood en wijn daadwerkelijk veranderen in lichaam en bloed van Christus. Dit zou gebeuren op het moment dat de instellingswoorden van Christus (waarmee hij de eucharistie instelde) worden gesproken.
Over de vorm van de bijeenkomsten van de eerste christenen is niet veel bekend. Toch bestaat er consensus dat er zoiets bestond als een gemeenschap van tafel, die door Jezus zelf was ingesteld. Jezus baseerde zich op joodse en heidense gebruiken. Deze eenheid van de christenen aan tafel vormde het hoogtepunt van het gemeenteleven. De gebeden die gezegd werden, de verkondiging die werd gehouden, het profeteren en de bijbeluitleg vielen allemaal binnen het kader van het dankzeggingmaal in de viering. Deze viering en maaltijd vonden plaats bij een van de christenen thuis.3
Vanaf het begin was het dankzeggingmaal het eigen kenmerk van de christenen ten opzichte van de joden. De maaltijd had in het begin de werkelijke functie van een maaltijd: honger stillen. Rond de tweede eeuw werd zij vervangen door een meer symbolische maaltijd waarbij alleen brood en wijn werden genuttigd.
In de vierde eeuw (313) werd het Christendom tot rijksgodsdienst. Dit leidde tot een grote toevloed van nieuwe gelovigen en veel veranderingen. Er werd een Kerkelijke kalender ingesteld waarop een vast tijdsschema van vieringen was vastgelegd en er werden speciale ontmoetingsruimten gebouwd, kerken. In deze kerken bleef de dankzeggingmaaltijd, de eucharistie (naar de Griekse aanduiding voor dit dankgebed), centraal staan. De tafel bleef op een prominente plaats in de ruimte aanwezig. Waar eerst de gemeenteleden zelf brood en wijn om te offeren meebrachten, werd dit vervangen door een financiële bijdrage, die als offertorium in de derde eeuw als onderdeel van de bijeenkomst werd ingevoerd.
Bij de overgang van de vierde naar de vijfde eeuw werd de bijeenkomst van een huiselijke aangelegenheid tot een kerkdienst. De eucharistie werd omgeven met een gedifferentieerd complex van handelingen en gebeden en werd tot een ceremoniële communie die alleen werd gevierd in het kader van een bredere liturgie.
Vanaf de derde eeuw wordt bij de van elkaar verschillende christelijke gemeenschappen een gemeenschappelijke basisstructuur aangetroffen van de dienst van het woord en het eucharistiegebed. Onder invloed van de verkondiging in de joodse synagoge en de joodse maaltijdriten (die een dialogisch en herinnerend (anamnetisch) karakter hebben) werd in het maaltijdgebeuren de verkondiging ingevoegd en uitgebouwd. Midden tweede eeuw schreef Justin Martyr over lezing in de mis van de evangeliën of de boeken van de profeten. Hij schreef dat daarna de preek van een voorganger volgde en gebeden; uiteindelijk werden de gaven voor de maaltijd verzameld.
Tussen de vierde en de zesde eeuw ontwikkelde zich in West Europa de Romeinse mis, in het Latijn, tot dominante vorm. Het Latijn gaf dan ook de namen aan de verschillende onderdelen en ook aan de mis zelf. Het woord mis zou zijn afgeleid van de tekst die de priester sprak voordat het eucharistiegebed werd gehouden, als hij degenen die de eucharistie niet bij mochten wonen wegzond: ‘ite missa est’.
Vroege vorm van de dienst van het woord
Opening was de groet waarin de voorganger zei “de Heer zij met U” en de gemeente antwoordde “en met uw geest”. Afsluiting werd gevormd door gebeden (algemene gebed voor de kerk) en het wegzenden van catechisanten, penitenten, en niet-gelovigen (die mogen niet aan de eucharistie deelnemen). Penitenten waren gelovigen die in een ‘strafperiode’ zaten die ze door de gemeente was opgelegd. Catechisanten waren nieuwe gelovigen die aan het leren waren over wat geloven inhield en daarmee nog niet volledig lid van de gemeente.
Het oorspronkelijke begin was dus de wisselgroet. Vóór het oorspronkelijke begin werd langzamerhand het confiteor (rustgebed/ sacristiegebed) geplaatst. Ook voor de mis kwamen het In nomine, de introïtus, Kyrie en Gloria, en het gebed van de dag (collecta). Na het evangelie werd het credo ingevoegd, dat later ging volgen op de preek.
Eucharistisch deel
Het Eucharistiegebed met de bijbehorende handelingen is sinds 215, naar de inhoud van Hippolytus’ werk “Apostolische Traditie”, gelijk gebleven. Alleen werd in het begin van de 4e eeuw het Sanctus ingevoegd, dat al vanaf de 1e eeuw in andere vorm in synagogen en christelijke bijeenkomsten werd gebeden.
Het Eucharistiegebed had deze volgorde:
-Bereiding: het brengen der gaven
-Eucharistie-dialoog (driedelig)
-Prefatie
-Inleiding naar het Sanctus
-Sanctus/ Benedictus
-Instellingsverhaal
-Anamnese en gebed van aanbieding gaven aan God
-Epiklese
-Voorbede .
-Doxologie
De groei van de kerken vroeg om een bestuursstructuur en er ontstond een geestelijkheid. De gegroeide gemeenten werden opgedeeld in diocesen. Niet meer droeg de bisschop alleen de mis op, maar zijn taak werd overgedragen op priesters. Dit had als consequentie dat, wilde de kerk eenheid behouden, het gebeuren in de kerk moest worden vastgelegd. Vanaf de vijfde eeuw werd de inhoud van de mis vastgelegd in zogenaamde sacramentairs, die in de hoge middeleeuwen door missalen werden vervangen.
Tot aan het de bisschoppelijke vergadering van Nicea (325) ging ieder lid van de gemeente ter communie. Het gehoorzaam opvolgen van Jezus woorden “doet dit tot mijn gedachtenis” werd als heilzaam ervaren. Dat Christus aanwezig was in brood en wijn was onomstreden, maar de consecratie (heiliging van brood en wijn doordat ze veranderen in lichaam en bloed van Christus) had nog niet de volle aandacht in die tijd. Brood en wijn hadden betrekking op de gemeenschap met Christus. Dit wordt onder meer duidelijk uit het gebruik om delen van het geconsacreerde brood op te sturen naar zustergemeenten als teken van verwantschap.
Onder invloed van de strijd tussen de kerk en de gnostische stromingen (die niets van lichamelijkheid of materie moesten hebben), werd er grotere nadruk gelegd op de lichamelijke aanwezigheid van Christus in brood en wijn.
In de vierde eeuw werd voor de Oosterse kerk het moment vastgelegd waarop brood en wijn veranderen; op het moment dat de Heilige Geest werd aangeroepen over de gaven (epiklese). Een halve eeuw later werd in de Westerse kerk het moment van verandering verbonden met de verba testamenti (de Westerse kerk, ook wel Romeinse kerk genoemd, gebruikte het Latijn), de instellingswoorden zoals deze in het Nieuwe Testament werden overgeleverd. Tot in de derde eeuw hoorden de instellingswoorden nog niet bij de eucharistie, maar stonden op een andere plaats in de liturgie, vermoedelijk bij de verkondiging. Het eucharistiegebed kreeg door invoeging van de verba testamenti een belangrijker rol.
Vanaf het midden van de 8e eeuw werden de gebeden rondom de eucharistie, de Canon genoemd, eerst zachtjes en later volkomen stil gebeden door de priester. De mis werd van een viering van de hele gemeenschap tot een door de priester voltrokken offer. Steeds meer kwam het offer in het centrum te staan. De priester was gewijd om het misoffer te kunnen en mogen vermenigvuldigen en had daarmee grote macht. De gelovigen raakten steeds meer op afstand van de gemeenschappelijke beleving van de eucharistie. Karel de Grote voerde overal in zijn rijk, waar tot dan toe de missen verschilden per regio, de Latijnse mis in. Voor het volk dat geen Latijn sprak werd een aantal aanschouwelijke ogenblikken ingevoerd; altaar en bevolking werden bewierookt, de canon werd losgemaakt van de gezongen prefatie waardoor er een mysterievolle stilte heerste. Ook de elevatie past in deze ontwikkelingen naar meer aanschouwelijke rituelen.
Vanaf de achtste eeuw werd aan de doxologie de elevatie verbonden: het geconsacreerde brood en de wijnkelk werden opgeheven naar God, om daarmee de essentie van het offer uit te drukken. In de twaalfde eeuw werd dit moment aan de consecratie vastgemaakt, nadat in de elfde eeuw de zelfstandige verering van de hostie ontstond; de hoofdinteresse van de gelovigen lag in de aanwezigheid van Christus in de elementen brood en wijn. De kerk was zeer huiverig voor de gedachten van gelovigen dat zij in het brood het lijf van Christus aten en in de wijn zijn bloed dronken. Daarom werd rode wijn vervangen door witte wijn, en steeds weer benadrukt dat de aanwezigheid van Christus in brood en wijn realiteit was, maar spiritueel moest worden ervaren.
De zelfstandige verering van de hostie leidde ertoe dat de gemeenteviering terrein verloor ten opzichte van de eucharistie. Alleen de consecratie was nog van belang, de rest ceremoniële toevoeging. Het centraal staan van het offer ontnam de dienst van zijn oorspronkelijke inhoud: de gedachtenis van Christus.
Kortom: waar in de vroege kerk nog sprake was van een viering waarin het volk gemeenschap en gemeenschap met Christus beleefde en participeerde in de dienst, kwam door de eeuwen heen meer aandacht voor de eucharistie, die uiteindelijk het centrum van de mis werd. Met de opwaardering van de eucharistie kwam ook de priester steeds meer in de belangstelling te staan en vanwege zijn prominente rol in het tot lichaam en bloed van Christus maken van brood en wijn steeg zijn aanzien. Er ontstond afstand tussen de priester en het volk, mede door de invoering van de Latijnse mis terwijl het volk geen Latijn beheerste. Dit zorgde ervoor dat voor de beleving van het volk de aanschouwelijke kanten van de mis belangrijker werden en meer nadruk kregen in de liturgie.
De liturgie stond in de Middeleeuwse religie centraal. Op zijn beurt stond in de liturgie de mis centraal. In de mis werd op onbloedige wijze het offer van Christus aan het kruis herhaald, waardoor de hele wereld verlost was. Door dit te herhalen werd de verlossing van de wereld hernieuwd voor allen die geloofden. De grote aandacht binnen de mis lag op de hostie, het schijfje brood dat tijdens de mis werd tot het lichaam van Christus. Op het moment dat de hostie omhoog geheven werd, tijdens de elevatie, en men die aanschouwde, aanschouwde men zogezegd de hele verlossingsgeschiedenis. Door het misoffer werd de wereld hernieuwd en de kerk als gemeenschap bevestigd.
De mis was in de late Middeleeuwen een teken van eenheid, in het sacrament werd de kerk verenigd. Men ervoer eenheid in Christus; men at zijn lichaam en dronk zijn bloed (een eenheid van het leven) en deelde in de liefdevolle gave van zijn offer (een eenheid van liefde).
Dit thema van eenheid was niet alleen in de gemeenschap zichtbaar, maar ook in de individuele vroomheid; men werd van zijn zonden ontdaan door Christus’ bloed, deelde in Zijn lichaam en werd in het lichaam van Christus opgenomen, de Kerk, die Christus zelf als Hoofd had. De hostie was meer dan een object van individuele aanbidding; zij was de bron van een menselijke gemeenschap.
Vaak ter communie gaan was in de late Middeleeuwen niet gebruikelijk; meestal consumeerde men maar een keer per jaar de hostie, in de Heilige Week op Paasmorgen, in de Hoogmis. Aan dit consumeren gingen een biecht vooraf en een vastenperiode, waarmee de gelovige poogde zuiver en vrij van zonden het Lichaam van Christus te ontvangen. Op deze kerkelijke hoogtijdag werden extra priesters ingeschakeld om de grote rij communiegangers te bedienen. Rij na rij kwam naar voren, en hief zijn handen met een speciale doek ertussen, zodat geen kruimel van de hostie, die uit de mond zou kunnen vallen, op de grond terecht zou komen.
Voor de meeste mensen gold, dat de hostie niet was om te consumeren; zij was om te aanschouwen. Men vond dat het aanschouwen van het Lichaam van Christus belangrijker was dan het consumeren ervan. De elevatie, het opheffen van de hostie nadat deze gezegend was en de initiatiewoorden: ‘Hoc est corpus meum’ gesproken waren, werd vanaf de 12e eeuw gebruikelijk. Als het gebeuren in een mis werd afgebeeld, werd ook steeds dat moment, het moment van de elevatie, voorgesteld. Kort voordat de hostie geheiligd werd klonk er een belletje, om de in gebeden verzonken, geknielde gelovigen te waarschuwen, zodat ze op tijd zouden opkijken naar het oomhooggeheven lichaam.
In grote kerken werden meerdere missen tegelijkertijd opgedragen. Op het moment dat op het hoofdaltaar de heiliging voltrokken werd, hield men op de zijaltaren de mis even op. Om te weten wanneer het zover was, werden voor de priesters bij de zijaltaren soms kijkgaten aangebracht waardoor ze zicht hadden op het hoofdaltaar.
Gelovigen konden hierdoor meerdere malen de consecratie bijwonen, in korte tijd, daartoe geroepen door de consecratiebelletjes. Uit Engeland zijn verhalen bekend van priesters die aan het preken waren toen ergens anders in de kerk het belletje klonk; de goegemeente keerde zich meteen om en rende naar het andere altaar. Als men de opgeheven hostie niet goed kon zien, werd er vanuit de groep gelovigen geroepen of de priester hem alstublieft wat hoger wilde hangen. Ook werd er wel ruziegemaakt wanneer iemand zijn of haar achterbuurman/ -buurvrouw het zicht benam.
De rijken die niet hoefden te werken gingen dikwijls meermalen per dag naar de mis. Zij die zeer rijk waren vroegen toestemming om een huiskapel te laten bouwen en een priester te mogen inhuren om bij hun thuis de mis op te dragen. De missen in de kerk werden qua tijd aangepast aan het leven in het dorp of de stad. Zo was er ’s ochtends vroeg een mis voor veldarbeiders en reizigers.
De hostie zien betekende zegening ontvangen. Zij die door omstandigheden de vleesgeworden brood niet konden aanschouwen liepen dus zegening voor lichaam en ziel mis. Men liep, om ook de zieken te kunnen laten kijken, in processie door de stad met de geconsacreerde hostie. In tijden van pest werd de hostie in hoog tempo door de stad gedragen om alle stervenden nog een blik te kunnen laten werpen. Kerken hadden soms speciale kijkgaten in de muur, waardoorheen men de hostie kon aanschouwen, de zogenaamde hagioscopen.
In de late Middeleeuwen was men zich bewust van het probleem dat werd opgeroepen door het feit dat de hostie niet leek op een lichaam. Er kwamen verhalen op over twijfelaars die tot geloof kwamen dat de hostie werkelijk Christus was, doordat bijvoorbeeld Christus aan hun verscheen. Er zijn ook verhalen bekend van mensen die de hostie bespotten, waardoor hun fysiek de mogelijkheid werd ontnomen hem te aanschouwen. Slechtzienden en blinden werden, omdat ze de hostie niet konden zien, gered door hemelse interventie.
De kerkgangers werden verwacht hun geloof in de hostie te tonen door te knielen tijdens de elevatie, en hun handen in aanbidding ernaar op te heffen, onderwijl speciale “elevatie-gebeden” zeggend.
De macht om de hostie te consacreren was volledig bij de priester gelegen. Het sacrament was de bron en het middelpunt van het symbolische systeem van de Middeleeuwse liturgie, van de kerk. De priester had toegang tot het Mysterie van de transsubstantiatie (het veranderen van de hostie en de wijn in het vlees en het bloed van Christus). Alleen hij mocht de woorden uiten, de formules, die deze transsubstantiatie in gang konden zetten. Van die formules is nog iets terug te vinden in de toverspreuk Hocus Pocus: dit komt van de initiatiewoorden “hoc est corpus meam” waarmee de verandering in gang werd gezet. Dit is illustratief voor hoe men hetgeen verondersteld werd te gebeuren zag: als bovennatuurlijk. De priester was de machtige tovenaar.
Niet alleen de handelingen; ook de woorden zelf, de taal waarin de mis werd opgedragen, het Latijn dat de normale man niet kende, droeg bij aan het Mysterie dat de mis voor de gelovige was. De geleerde taal, het monopolie van de clerus op de liturgie, maakten dat de gelovige niet actief kon deelnemen aan de liturgie. Dit werd nog eens versterkt door het doksaal dat vaak de leken van het Hoogkoor afschermde.
Door de week werden ook missen georganiseerd, dan werd in een korte ceremonie de mis gevierd, veel minder bewerkelijk dan op de zondag. De processie en zegening van water en brood na afloop van de eucharistie, ook het gezang, werden achterwege gelaten. Deze missen werden niet op het altaar in het hoogkoor opgedragen, maar op een armlengte van de gelovigen op andere altaren in de kerk. Deze “lagere missen” (zondagse gezongen mis werd de Hoogmis genoemd) werden bijgewoond onder het mom van “even mijn Schepper zien”. Deze altaren stonden in zijkapellen en tegen pilaren. Meestal stonden er twee tegen het doksaal, tegen de zuidelijke en noordelijke pilaar.
Ook al golden missen op zijaltaren als ‘lagere missen’, die altaren waren allerminst onbelangrijk. Dikwijls waren ze in bezit van leken of gilden, die en priester betaalde om voor hun zielenheil of dat van een van de leden de mis op te dragen. Deze altaren werden van seizoensgebonden versiering voorzien. De personen die het altaar hadden “opgericht” gaven opdracht om bepaalde gebeden en lezingen te voltrekken, los van de liturgische kalender die op het Hoogaltaar werd gevolgd. Waar de Hoogmis de hele kerk verbond, waren de zijaltaren gebonden aan groepen binnen de gemeenschap.
Tijdens de mis mochten gelovigen niet staan of leunen tegen pilaren en muren, maar werden geacht om te knielen en te bidden, onzevaders en ave maria’s, bij de evangelielezing (voorafgegaan door een belletje) ging men staan en ook bij de lofprijzing van God. Tijdens de consecratie knielde men, al starend naar de hostie, neer. Speciaal voor leken werden gebedenboeken gepubliceerd voor tijdens de mis. Stap voor stap werd deze van gebeden en gedachten voorzien.
De Hoogmis op zondag week af van die door de week. Zij begon meestal met een processie rond de kerk en er werd wijwater over de altaren en over de gelovigen gezwierd. De priester riep in een Bede op om voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders te bidden en wees tenslotte de gelovigen op feestdagen en vastendagen die in de komende week zouden volgen. Ook werd, voorafgaand aan de consecratie, de pax gekust, een speciaal daarvoor bestemd tablet, eerst door de priester zelf, die ook de rand van de kelk kuste, vervolgens door alle gelovigen die buiten het koor stonden. Dit kan beschouwd worden als substituut voor de hostie. Aan het einde van de mis vond nog een substituut-communie plaats; een brood, dat een van de gemeenteleden had meegebracht, werd gezegend, gebroken en onder de gelovigen verdeeld.
Na dit beeld van de vorm van de mis in de late Middeleeuwen wil ik tenslotte formuleren welke consequenties de voor de ruimte de misviering in de kathedraal had.
Het altaar was de plaats waar het belangrijkste aspect van het religieuze leven zich voltrok, daar werd tijdens de belangrijkste mis de hostie geconsacreerd op het belangrijkste altaar. De plaats waar het altaar stond was daarom te heilig voor het gewone volk, alleen zij die gewijd waren, geestelijken, mochten de ruimte rondom het altaar betreden. Tijdens de Hoogmis werd er gezongen, meestal door geestelijken. Die zaten in de meeste kerken in de buurt van het altaar, waardoor de ruimte waar het altaar stond de naam “koor” kreeg. Zoals we hebben gezien is de situatie in Spaanse kathedralen dikwijls anders. Om het altaar heen kwam een afscheiding te staan, meestal gesloten (in de joodse tempel was het heiligste ook onzichtbaar afgesloten voor het volk), soms subtiel opengewerkt om de gelovigen een blik op de consecratie te gunnen (in Engeland worden dergelijke kijkgaten squinten genoemd).
De geconsacreerde hostie was het heiligste bezit van de kerk; zij werd eerst bij het altaar bewaard in een sacramentshuisje met slot (een nis in de muur), later ook in een tabernakelkist op het altaar. (Tabernakel is de Latijnse naam voor de Tempeltent die de joden in de woestijn met zich meedroegen en waar de Tien Geboden in bewaard werden). Op het altaar stond ook het evangelieboek.
Het aanschouwen van de hostie was zo belangrijk, dat mensen speciaal naar de kerk gingen om “even de Schepper te zien”. Er werden speciale voorwerpen gemaakt om een op zondag geconsacreerde hostie tentoon te kunnen stellen en rond te kunnen dragen tijdens processies op sacramentsdag, de zogenaamde monstransen. Naast de monstrans op draagbaar formaat zijn er ook Sacramentstorens bekend, waar de gelovige langs kon lopen om een blik op de hostie te werpen. In sommige kerken werd in de buitenmuur een doorkijkgat gemaakt, met zicht op de op het altaar in monstrans tentoongestelde hostie, de zgn. Hagioscoop, om te kijken op het heilige.
Kerkbanken of stoelen ontbraken in de kerkruimte. Het volk wilde daar zijn waar er maar iets gebeurde en liep dus kriskras door de kerk, van altaar naar altaar, van doopvont naar preekstoel. Ook was er voor processies loopruimte nodig. Anders gezegd: “De liturgie had een royale speelruimte en werd niet of nauwelijks gehinderd door massieve bankenblokken”.
- E. Duffy, The Stripping of the Altars, Traditional Religion in England c.1400-c. 1500, London 1992.
- Nationale Raad voor Liturgie in opdracht van de Nederlandse Bisschoppenconferentie, Altaarmissaal voor de Nederlandse kerkprovincie, Utrecht 1975.
- H. Schmidt-Lauber, Handbuch der Liturgik, Göttingen 1995.
- Regn. Steensma, Vroomheid in hout en steen, Baarn 1984.