Weer terug op de Boesj
Uit de stemvork van december 2003
Nu André al de zoveelste keer gevraagd heeft of ik al gedacht heb aan een stuk voor de Stemvork, moet ik er maar eens werk van maken. Ik moet me voorstellen aan de leden die mij nog niet kennen.
Ik ben Jan Evers, geboren op de Prinsenbaan en vanaf mijn zevende jaar woonachtig op de Haverterstraat tot de ‘fusie met Echterbosch’: getrouwd met een dochter van Köbbes, een echte MHD-fan, een prelude op Conventus dus.
De huwelijksmis is trouwens muzikaal verzorgd door ons Mannenkoor. Dat wijst erop dat ik in een vroeger leven al lid ben geweest van dit illustere gezelschap. Ondertussen ben ik na wat omzwervingen via Brunssum en Ohé en Laak weer in Pey woonachtig.
Je geboortedorp houdt echter steeds een bijzondere plek in je herinnering. Als ik terugdenk aan mijn jeugdjaren, denk ik aan het dorp waar je als jongetje van de straat geplukt werd om het bordje van een of andere schutterij te dragen, waar je op een zomerdag langs de kant van de weg stond om de plaatselijke favorieten tijdens de wielerronde aan te moedigen (ozze Jan, ozze Jan ligt voorop), waar je Laurens de brikkenbakker met zijn stok voorbij zag komen, waar we als kleuters door de zusters van het klooster ge(mis)bruikt werden om erwten te ‘keveren’, waar we op zondagnamiddag naar het patronaat konden om te luisteren naar Pretty Woman van Roy Orbison.
Uitstapjes buiten het dorp waren zeldzaam: met de fiets naar de ‘Bagger’ om te zwemmen, jongens strikt gescheiden van de meisjes door een grote houten pier, of op zondagmiddag naar de film met Roy Rogers, de cowboy die uiteindelijk altijd geluk had.
Met de familie op de fiets naar Sittard en dan met de Ebad naar Valkenburg was al een wereldreis.
Het eerste contact met het Mannenkoor dateert van eind jaren zestig, precies weet ik dat niet meer. Het was de tijd van Smeets als dirigent. We repeteerden in het patronaat en de uitvoering die mij het meest is bijgebleven was die in Höngen op de feestwei achter Peters.
Zoals gebruikelijk aan die kant was er vroeg in de middag al een Umzug, waarna we enkele uurtjes mochten wachten op onze beurt op de kiosk.
Het was prachtig weer, warm en dorstig, en de kelen werd gesmeerd met een goed verzorgd glas bier, zolang dat we met moeite de trap naar de kiosk op konden. Aangezien Smeets ook zijn dorst had gelest, werd het een spannende zaak. We hebben gezongen en het publiek was zo vrolijk en luidruchtig dat er geen valse noot is gehoord.
Smeets werd kort opgevolgd door Peter Eikenboom, een man met grote ambities die hij niet waar kon of wilde maken in Koningsbosch.
Zijn opvolger Vossen heb ik slechts even meegemaakt. Ik moest in militaire dienst en verhuisde naar Brunssum. Daarmee kwam een einde aan het lidmaatschap.
Na enkele jaren woonde ik in Pey en werd weer aangemoedigd om bij de ‘Zank’ te komen. Het tijdperk Vanhautem was aangebroken. Een compleet ander repertoire werd ingestudeerd. Er werd gezongen met beroepszangers als Hubert Delamboye.
Hoogtepunt uit deze periode was de concertreis naar Feldkirch, Oostenrijk. Na tal van repetities, gezamenlijke uitvoeringen met het kinderkoor van Margraten, veel overleg en geregel werd op een regenachtige dag vertrokken. Het noodlot sloeg toe tussen Aken en Keulen, waar we een bus door een ongeluk verloren. Piet Nelissen en ik reden in een personenauto vooruit met de geluidsinstallatie: die paste toen nog in een kofferbak van een Mercedes. Het was een gemêleerd gezelschap met die kinderen, een aantal ouders, de leden van het Mannenkoor met aanhang, de loco-burgemeester Peters en ereleden. Vaak was het improviseren. In Liechtenstein reden we vooruit om de afspraak te controleren dat er een piano gereed zou staan voor het concert. Jawohl, sicher, kommen sie mit. En zo kwamen we terecht in een gebouw, waar op de eerste verdieping een vleugel stond. Dat konden we dus vergeten en Gaby, onze pianiste, moest weer achter het kleine orgeltje plaatsnemen dat we zelf in de bus hadden meegenomen.
Naast de concerten was er ook tijd voor ontspanning: met grote stenen kruiken bier op de locatie waar enkelen van ons sliepen. Menige kruik verdween onder tafel of in de nabije struiken en staat nu ergens in Koningsbosch of omstreken op het dressoir. Dat feest duurde tot diep in de nacht en om half vijf bereikten we, elkaar ondersteunend en zigzaggend, onze eigen slaapplaats.
Enige uren later, ik meen zeven uur, stond de bus gereed voor een prachtige tocht over de Silvretta-pas. Een kwelling op de laatste bank in de bus, want de drank was in de man, de oren zaten vanaf de eerste helling dicht en pauze werd pas gemaakt boven bij het stuwmeer op de Silvretta. De tweede helft van de tocht heb ik iets meer waargenomen, bijvoorbeeld mannen en vrouwen die klauterend langs een helling aardappelen rooiden. Na Sankt Anton kwam Feldkirch weer naderbij en in het dal gingen voor het eerst de oren weer open. Een tocht om nooit te vergeten!
Andere opmerkelijke gebeurtenissen waren bijvoorbeeld de St.Cecilia-vieringen. Een mis in het klooster, gevolgd door een lekker diner en dan de zaal op.
Mijn bijdragen bestonden uit een playbacknummer samen met Piet Nelissen: een liedje van André van Duijn over de ‘klokken van het zuiden’ en, een andere keer, de fantastische modeshow die we gelopen hebben. De voorbereidingen waren al goed voor pijn in de kaken van het lachen. De regie was in handen van de vrouw van Hein Gorissen, zij sprak ook de teksten. Ik mocht als laatste opdraven, pardon schrijden, op de tonen van Roy Black: Ganz in Weiss. Knalrode lippen onder de snor, een witte bruidsjurk en het moeilijkste: vrouwenschoenen met hoge hakken in maat 43. Deskundigen zeiden achteraf dat de benen niet misstonden onder de jurk.
In 1981 zag ik het niet meer zitten om wekelijks naar de repetitie te komen. Ik was aan het bouwen op Ohé en Laak, tegenover kasteel Hasselholt, Hub Vanhautem was een tijd lang vervangen door Jo Käfer: het verschil in aanpak was zo anders, dat ik na de terugkeer van Vanhautem niet meer kon wennen aan zijn stijl en repertoire. Kortom een samenloop van omstandigheden waardoor ik besloot er een punt achter te zetten.
Ik maakte mijn studie eerstegraads docent geschiedenis en maatschappijleer af en had ondertussen een racefiets waarmee ik mijn vrije tijd vulde. Dat wielrennen doe ik trouwens nog steeds. Een nieuwe baan in Weert aan de Philips van Horne Scholengemeenschap eiste vooral in de beginperiode veel energie. Ik begon les te geven aan de havo- en vwo-bovenbouwklassen en wilde het allemaal goed doen.
Ondertussen zijn we twintig jaar verder. Een mis gezongen door het mannenkoor in de oude meisjesschool, ook ter intentie van Mia Hendricks-Graus (vrouw van Sef en tante van mijn vrouw) maakte weer iets wakker. De vriendelijke contacten achteraf leidden tot de afspraak dat ik kwam luisteren naar het voorjaarsconcert met het Reüniekorps Limburgse Jagers. Vanaf die week ben ik weer repetities komen volgen en probeer ik mijn toontje bij te dragen aan de klank van de baritons. Het eerste concert zit er intussen ook al op en ik voel mij weer thuis bij de ‘Zank’. Prettige bijkomstigheid: ik kom weer regelmatig ‘op de Boesj’ mijn geboortedorp.
Jan Evers